Examenoefeningen — volledig uitgewerkt Zeer belangrijk

Volgens de docent zijn ALLE oefeningen hieronder zeer belangrijk voor het examen. Studeer ze stuk voor stuk: ken zowel de opgave/casus, de redenering als de toegepaste wetsregel. Elke oefening is volledig uitgewerkt — inclusief alle stap-voor-stap-berekeningen (gewaarborgd loon, opzegtermijnen, loonbeslag-schijven en sociale bijdragen). Probeer telkens eerst zelf vóór je de oplossing opent.

Per oefening staat telkens duidelijk gescheiden: (a) Opgave, (b) Oplossing (met redenering en berekeningen) en (c) Toegepaste regel / wetsartikel. Klik op "Toon oplossing" om jezelf te testen.

Gratis preview: hieronder zie je de eerste drie volledig uitgewerkte oefeningen, zodat je de kwaliteit en aanpak kan beoordelen. De overige ~36 oefeningen (alle thema's, alle berekeningen) zitten in het Examen-pack.

Thema 1 — Arbeidsovereenkomsten: algemeen (boek p. 80-81)

Oefening 1 — Hiërarchie van de rechtsbronnen

Opgave. Welke hiërarchie bestaat er in de bronnen der verbintenissen betreffende de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers?

Toon oplossing

De rangorde (van hoog naar laag) is:

  1. de dwingende bepalingen van de wet;
  2. de algemeenverbindend verklaarde cao;
  3. de niet-algemeenverbindend verklaarde cao als de werkgever de overeenkomst ondertekend heeft of aangesloten is bij een organisatie die deze overeenkomst ondertekend heeft;
  4. de geschreven individuele overeenkomst;
  5. de niet-algemeenverbindend verklaarde cao gesloten in een paritair orgaan wanneer de werkgever, hoewel hij de overeenkomst niet ondertekend heeft of niet aangesloten is bij een organisatie die deze heeft ondertekend, behoort tot het ressort van het paritair orgaan waarin de overeenkomst gesloten is;
  6. het arbeidsreglement;
  7. de aanvullende bepalingen van de wet;
  8. de mondelinge individuele overeenkomst;
  9. het gebruik.
Toegepaste regel: Artikel 51 van de cao-wet van 5 december 1968 (hiërarchie van de rechtsbronnen in het arbeidsrecht).

Oefening 2 — Gelijke behandeling bij sollicitatie en in alle fasen van de arbeidsrelatie

Opgave.

  1. Op welke wijze bieden de wetgeving en de cao's een bijdrage in de strijd tegen discriminatie op de werkvloer?
  2. Cao nr. 38 heeft o.a. tot doel te voorkomen dat iemand niet zou solliciteren omwille van de kosten. Hoe tracht de cao dat doel te bereiken?
  3. Welke informatie moet de werkgever geven aan de sollicitant over de arbeidsplaats die hij aanbiedt?
  4. Het beginsel van gelijke behandeling moet worden nageleefd gedurende de hele arbeidsrelatie. Wat houdt dit concreet in?
Toon oplossing
  1. De werkgevers nemen een aantal verplichtingen op zich waardoor de sollicitant en de werknemer een zekere bescherming genieten. De sociale partners hebben in cao nr. 38 de wil uitgedrukt zich in te zetten voor een versterkte deelname van kansengroepen aan de arbeidsmarkt. Zij engageren zich om inspanningen te doen voor de diversiteit op het terrein van werving en selectie van werknemers. In cao nr. 95 bevestigen zij de intentie om de naleving van het beginsel van gelijke behandeling gedurende alle fasen van de arbeidsrelatie te bevorderen.
  2. De kosten van examens en onderzoeken die verricht worden in het kader van een selectieprocedure zijn voor rekening van de werkgever als hij daartoe de opdracht heeft gegeven.
  3. De werkgever moet aan de sollicitant meedelen: de aard van de functie; de eisen om de functie uit te oefenen; de plaats waar de functie wordt uitgeoefend; de wijze waarop gesolliciteerd kan worden.
  4. Het beginsel van gelijke behandeling moet worden nageleefd zowel op het vlak van de voorwaarden voor de toegang tot de arbeid, de arbeid zelf, de arbeidsvoorwaarden als de ontslagregelingen.
Toegepaste regel: Cao nr. 38 (werving en selectie van werknemers) en cao nr. 95 (gelijke behandeling gedurende alle fasen van de arbeidsrelatie); antidiscriminatiewetgeving.

Oefening 3 — Essentiële voorwaarden van een arbeidsovereenkomst

Opgave. Aan welke essentiële voorwaarden moet voldaan zijn om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst?

Toon oplossing

Er moeten drie essentiële elementen aanwezig zijn:

  • een overeenkomst, wat dus een volwaardige instemming met de samenwerking inhoudt;
  • een band van ondergeschiktheid en gezag van de werkgever;
  • loon als tegenprestatie voor de arbeid.
Toegepaste regel: Begripsomschrijving arbeidsovereenkomst — Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 (toestemming + arbeid + loon + gezagsverhouding).

Oefening 4 — Arbeidsovereenkomst vs. contract van aanneming

Opgave.

  1. Welk verschil bestaat er tussen een arbeidsovereenkomst en een contract van aanneming?
  2. Waarom is het van belang te weten welk van de twee contracten van toepassing is?
Toon oplossing
  1. Bij een contract van aanneming is er geen band van ondergeschiktheid. Er wordt niet gewerkt onder gezag; een bepaalde werkprestatie wordt geleverd op zelfstandige wijze. Er wordt ook geen loon (in de zin van een arbeidsovereenkomst) betaald.
  2. Om te weten welke wetgeving van toepassing is (arbeidsrecht/sociale zekerheid voor werknemers versus het zelfstandigenstatuut).
Toegepaste regel: Onderscheidend criterium = de gezagsverhouding (ondergeschiktheid). Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978.

Oefening 5 — Welk soort arbeidsovereenkomst (arbeider/bediende)?

Opgave. Welke soort van arbeidsovereenkomst is van toepassing in volgende gevallen:

  1. de secretaris in dienst van een volksvertegenwoordiger;
  2. de vrachtwagenchauffeur in dienst van een transportfirma;
  3. de chauffeur van de directeur van een privéonderneming;
  4. het onderhoudspersoneel in dienst van een kliniek;
  5. de verkoopster in de beenhouwerij-afdeling van een grootwarenhuis;
  6. een tuinman in dienst van een familie;
  7. een tuinman in dienst van een bloem- en plantenkwekerij;
  8. een magazijnier?
Toon oplossing
GevalStatuut
a) secretaris bij volksvertegenwoordigerbediende
b) vrachtwagenchauffeur transportfirmaarbeider
c) chauffeur van de directeurarbeider
d) onderhoudspersoneel kliniekarbeider(s)
e) verkoopster beenhouwerij grootwarenhuisbediende
f) tuinman bij een familiearbeider
g) tuinman bij bloem- en plantenkwekerijarbeider
h) magazijnierbediende als hoofdzakelijk hoofdarbeid (bv. administratie); arbeider als hoofdzakelijk handarbeid
Toegepaste regel: Onderscheid arbeider/bediende = aard van het hoofdzakelijk verrichte werk (hoofdarbeid = bediende, handarbeid = arbeider). Arbeidsovereenkomstenwet 3 juli 1978.

Oefening 6 — Verzekeringsagent: bediende?

Opgave. Is een verzekeringsagent verbonden door een bediendencontract? Verklaar.

Toon oplossing

Een verzekeringsagent is geen bediende, aangezien hij uitdrukkelijk wordt uitgesloten door artikel 4 van de wet op de arbeidsovereenkomsten. Hij is een zelfstandige.

Toegepaste regel: Artikel 4 Arbeidsovereenkomstenwet (uitsluiting handelsvertegenwoordiger/verzekeringsagent als bediende).

Oefening 7 — Mag een cao of individuele AO afwijken van de wet?

Opgave. Mag een cao of een individuele arbeidsovereenkomst een regeling voorzien die afwijkt van de wet op de arbeidsovereenkomsten?

Toon oplossing

Ja, als ze niet de rechten van de werknemer vermindert of zijn verplichtingen verzwaart (afwijking enkel in het voordeel van de werknemer toegestaan).

Toegepaste regel: Dwingend recht ten gunste van de werknemer — afwijking enkel toegestaan in gunstige zin; samenhang met hiërarchie art. 51 cao-wet.

Oefening 8 — Ontslag op staande voet zonder dringende reden door personeelschef

Opgave. Een personeelschef ontslaat een werknemer op staande voet zonder dat er sprake kan zijn van een dringende reden. Kan de directeur van de firma hiervan afstand nemen zodat hij niet verantwoordelijk is voor de gevolgen?

Toon oplossing

Neen, hij is altijd verantwoordelijk voor het leidinggevende personeel; het tegenbewijs is niet mogelijk (onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid van de werkgever voor handelingen van zijn leidinggevenden).

Toegepaste regel: Aansprakelijkheid van de werkgever voor handelingen van leidinggevend personeel (onweerlegbaar) — Arbeidsovereenkomstenwet.

Oefening 9 — Vordering voor achterstallig vakantiegeld van twee jaar geleden

Opgave. Kan een werknemer tegenover zijn werkgever een vordering instellen voor achterstallig vakantiegeld van twee jaar geleden?

Toon oplossing
  • Ja, als de overeenkomst nog niet werd beëindigd (verjaringstermijn binnen 5 jaar).
  • Nee, als de overeenkomst werd beëindigd (verjaringstermijn binnen 1 jaar na het einde van de overeenkomst).
Toegepaste regel: Verjaringstermijnen van vorderingen uit de arbeidsovereenkomst: 5 jaar tijdens de overeenkomst, en niet meer dan 1 jaar na het einde ervan (art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet).

Oefening 10 — Consensueel contract

Opgave. De arbeidsovereenkomst is een consensueel contract. Wat betekent dat?

Toon oplossing

Dat de overeenkomst tot stand komt door de eenvoudige toestemming van de partijen. Er is dus geen geschrift vereist.

Toegepaste regel: Arbeidsovereenkomst = consensueel contract (komt tot stand door wilsovereenstemming).

Oefening 11 — AO bepaalde tijd zonder geschrift

Opgave. Een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd wordt gesloten zonder geschrift. Wat is daarvan het gevolg?

Toon oplossing

Er ontstaat een contract voor onbepaalde duur. (Het geschrift is een vormvereiste voor de bepaalde duur; ontbreekt het, dan valt men terug op de overeenkomst van onbepaalde duur.)

Toegepaste regel: Art. 9 Arbeidsovereenkomstenwet — een AO van bepaalde duur moet schriftelijk vastgelegd zijn uiterlijk bij de indiensttreding; bij gebrek geldt ze als gesloten voor onbepaalde duur.

Oefening 12 — Opeenvolgende contracten van bepaalde duur

Opgave.

  1. Een voetbalclub sluit met een profspeler twee opeenvolgende arbeidscontracten van twee jaar. Is dat toegelaten?
  2. Een firma sluit met een werknemer drie opeenvolgende arbeidscontracten van zes maanden. Gevolg?
Toon oplossing
  1. Ja, omwille van de aard van het werk (de sportsector kent een uitzondering; opeenvolgende contracten van bepaalde duur zijn er toegelaten wegens de aard van de activiteit).
  2. De drie opeenvolgende contracten van bepaalde duur zijn geldig, want de duur valt binnen de grenzen voorzien door de wet, namelijk maximum vier opeenvolgende contracten van minstens 3 maanden zonder dat dit in totaal langer dan twee jaar zou duren (3 × 6 maanden = 18 maanden < 2 jaar, en aantal contracten ≤ 4).
Toegepaste regel: Art. 10 / 10bis Arbeidsovereenkomstenwet (opeenvolgende contracten van bepaalde duur: max. 4 contracten van min. 3 maanden binnen max. 2 jaar; of, met machtiging, min. 6 maanden binnen 3 jaar; uitzondering wegens de aard van het werk).

Oefening 13 — Casus Dirk: schijnzelfstandigheid (IT-consultant Sport-online)

Opgave. Dirk werkt als IT-consultant op zelfstandige basis (minder sociale bijdragen, meer nettoloon). Bij zijn huidige klant, de firma Sport-online (KMO, online sportkleding), is hij al drie jaar aan de slag. Hij stuurt maandelijks een factuur van 2 750,00 EUR. Op de werkvloer draait hij mee in een team met nog drie anderen die wél een arbeidsovereenkomst met Sport-online hebben. Het team staat in voor de werking en het onderhoud van de website. Ze passeren 's ochtends langs de prikklok; de dag begint met een korte briefing door hun leidinggevende Hans (financieel directeur), die het team aanstuurt. Op vrijdagnamiddag evalueert Hans de werkzaamheden. Door een forse daling van de bestellingen zet Hans de samenwerking met Dirk onmiddellijk stop; hun samenwerkingsovereenkomst laat dat toe. Dirk krijgt geen ontslagvergoeding en heeft geen recht op werkloosheidsuitkering. Wat kan hierover gezegd worden?

Toon oplossing

Verschillende elementen wijzen erop dat er wellicht een volwaardige gezagsverhouding is in de samenwerking tussen Sport-online en Dirk, en dus dat hij slechts een schijnzelfstandige is. Vaststellingen:

  • hij zet maandelijks een vast bedrag op factuur (en niet in functie van gewerkte uren);
  • hij legt verantwoording af in een wekelijkse vergadering;
  • hij passeert langs de prikklok;
  • het lijkt erop dat Dirk geen andere klanten heeft en dat al drie jaar lang.

Bij de beëindiging van de samenwerking kan Dirk argumenteren dat hij in de feiten altijd gewerkt heeft met een (weliswaar niet als zodanig geschreven) arbeidsovereenkomst. Hij kan de stopzetting van de samenwerking laten kwalificeren als een ontslag met verbreking en de bijbehorende verbrekingsvergoeding opeisen (link naar het hoofdstuk ontslag).

Toegepaste regel: Kwalificatie van de arbeidsrelatie op basis van de feitelijke gezagsuitoefening (voorrang van de werkelijkheid op de kwalificatie door partijen) — Arbeidsrelatiewet / Arbeidsovereenkomstenwet; gevolg = verbrekingsvergoeding bij onregelmatig ontslag.

Oefening 14 — Casus Johan: laattijdig ondertekend contract van bepaalde duur

Opgave. Op 1 maart begon Johan te werken bij een vzw die daklozen begeleidt in Brussel. Men zocht iemand om gedurende zes maanden orde op zaken te stellen in het departement Administratie. Op 15 april stelt de directrice vast dat er nog geen contract werd opgemaakt en doet snel het nodige. Op 16 april legt ze een contract van bepaalde duur (duurtijd 1 maart t.e.m. 31 augustus) ter ondertekening voor aan Johan. Wat kan hier arbeidsrechtelijk over opgemerkt worden?

Toon oplossing

Een contract van bepaalde duur moet vormelijk aan enkele voorwaarden voldoen, o.a. moet het ten laatste op het moment van de start van de prestaties ondertekend zijn. Dat is hier duidelijk niet het geval (start 1 maart, ondertekening pas 16 april). Dat maakt op zich de arbeidsovereenkomst niet ongeldig, alleen kan de werknemer nu argumenteren dat er een contract van onbepaalde duur bestaat tussen hem en de vzw. Zelfs als hij alsnog tekent, blijft de ondertekening "te laat" (wat dan uiteraard wel bewezen zal moeten worden).

Toegepaste regel: Art. 9 Arbeidsovereenkomstenwet — het geschrift voor een AO van bepaalde duur moet uiterlijk bij indiensttreding bestaan; laattijdige ondertekening doet de overeenkomst gelden als gesloten voor onbepaalde duur.

Thema 2 — Rechten en plichten / aansprakelijkheid (boek p. 86)

Oefening 1 (p. 86) — Lichte schuld van de werknemer

Opgave. Een werknemer veroorzaakt schade bij een klant door een fout. Het betreft een lichte fout. Is de werknemer aansprakelijk?

Toon oplossing

Het betreft hier waarschijnlijk een vorm van lichte schuld. Als deze eenmalig is, kan de werknemer niet aansprakelijk gesteld worden omwille van de bescherming van art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet. De werkgever zal de schade van de klant moeten vergoeden.

Toegepaste regel: Art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet — de werknemer is enkel aansprakelijk voor zijn bedrog, zware schuld en gewoonlijk voorkomende lichte schuld; niet voor de toevallige (eenmalige) lichte schuld.

Oefening 2 (p. 86) — Verhaal bij zware fout

Opgave. De werkgever heeft de schade aan de klant vergoed terwijl de werknemer een zware fout beging. Kan hij verhaal uitoefenen?

Toon oplossing

Als de werkgever de schade vergoed heeft, kan hij verhaal uitoefenen op de werknemer, want die heeft een zware fout begaan.

Toegepaste regel: Art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet — bij zware schuld (én bedrog én gewoonlijke lichte schuld) is de werknemer wel aansprakelijk en kan de werkgever zich op hem verhalen.

Oefening 3 (p. 86) — Verplichte vermeldingen in een (bepaalde-duur)contract

Opgave. Welke gegevens moeten in de overeenkomst worden opgenomen?

Toon oplossing
  • Begin- en einddatum van de overeenkomst.
  • Aard van de verrichte arbeid.
Toegepaste regel: Vormvereisten arbeidsovereenkomst van bepaalde duur — Arbeidsovereenkomstenwet.

Oefening 4 (p. 86) — Beding tot eenzijdige wijziging door werkgever

Opgave. Een werkgever heeft zich contractueel het recht voorbehouden om de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen (en wijzigt de functie van de werknemer). Mag dat?

Toon oplossing

Een werkgever mag zich niet contractueel het recht voorbehouden om de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen, en dat is wat hier duidelijk gebeurt. De functie van een werknemer is een essentieel onderdeel van de arbeidsovereenkomst, dat enkel met instemming van de werknemer ingrijpend gewijzigd kan worden. Ondertekend of niet, dit soort clausules zal niet kunnen ingeroepen worden wegens strijdigheid met de arbeidsovereenkomstenwet.

Toegepaste regel: Art. 25 Arbeidsovereenkomstenwet — een beding waarbij de werkgever zich het recht voorbehoudt de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen is nietig.

Thema 3 — Schorsing van de overeenkomst, overmacht, klein verlet (boek p. 102-103)

Oefening 1 — Einde wegens overmacht

Opgave. Wat gebeurt er met de arbeidsovereenkomst wanneer de uitvoering totaal onmogelijk is geworden?

Toon oplossing

De arbeidsovereenkomst neemt een einde wanneer de uitvoering van de overeenkomst daardoor totaal onmogelijk is geworden. Dit is een einde wegens overmacht (dus geen ontslag, waarvoor immers een wilsuiting nodig is).

Toegepaste regel: Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht — Arbeidsovereenkomstenwet (geen wilsuiting vereist, geen ontslag).

Oefening 2 — Tijdelijke onmogelijkheid wegens overmacht (schorsing)

Opgave. Wat als de uitvoering slechts tijdelijk onmogelijk is wegens overmacht? Behoudt de werknemer loon?

Toon oplossing

De arbeidsovereenkomst kan geschorst worden; de uitvoering is tijdelijk onmogelijk geworden wegens overmacht. De wetgeving voorziet echter geen loonbehoud tijdens deze periode. De werknemers zullen mogelijk wel een uitkering wegens tijdelijke werkloosheid kunnen aanvragen bij de RVA.

Toegepaste regel: Schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke overmacht; tijdelijke werkloosheid (RVA), geen gewaarborgd loon.

Oefening 3 — Faillissement van de werkgever

Opgave. Is het faillissement een reden tot schorsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst?

Toon oplossing

Het faillissement is op zichzelf geen reden tot schorsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Als ze toch beëindigd wordt, moeten de wettelijke verplichtingen i.v.m. de opzeg worden nagekomen. De curator die de zaak beheert na de uitspraak van het faillissement, kan echter ook de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voortzetten.

Toegepaste regel: Faillissement schorst/beëindigt de AO niet van rechtswege; bij beëindiging gelden de gewone opzegregels (Arbeidsovereenkomstenwet + faillissementsrecht).

Oefening 4 — Gevolg van schorsing voor de verplichtingen

Opgave. Wat zijn de gevolgen van een schorsing voor de verplichtingen van de partijen?

Toon oplossing

De arbeidsovereenkomst wordt geschorst. De partijen moeten hun verplichtingen daarna verder nakomen. Als men de overeenkomst wil beëindigen, moeten de wettelijke verplichtingen i.v.m. de opzeg nageleefd worden.

Toegepaste regel: Schorsing = tijdelijke opschorting, geen beëindiging; opzegregels blijven gelden bij beëindiging.

Oefening 5 — Vertraging onafhankelijk van de wil van de werknemer

Opgave. Een werknemer komt te laat door een oorzaak buiten zijn wil. Behoudt hij zijn loon?

Toon oplossing

Hij behoudt zijn loon omdat de oorzaak van de vertraging onafhankelijk is van zijn wil. Hij moet wel een attest kunnen voorleggen waaruit de vertraging blijkt.

Toegepaste regel: Art. 27 Arbeidsovereenkomstenwet — gewaarborgd dagloon bij onvolledige/onderbroken arbeidsdag wegens een oorzaak onafhankelijk van de wil van de werknemer (op weg naar het werk).

Oefening 6 — Onvolledige/onderbroken arbeidsdag (a en b)

Opgave. Toepassingen van de regelgeving m.b.t. de onvolledige/onderbroken arbeidsdag:

  1. De werknemer kan om een bepaalde reden niet werken (oorzaak ligt bij overmacht aan zijde werkgever).
  2. De werknemer wordt door een oorzaak buiten zijn wil verhinderd te werken.
Toon oplossing
  1. De werknemer heeft geen recht op loon. De werkgever kan zich beroepen op overmacht.
  2. Hij behoudt zijn loon omdat de oorzaak niet afhankelijk is van zijn wil.
Toegepaste regel: Art. 27 Arbeidsovereenkomstenwet (gewaarborgd loon onvolledige/onderbroken arbeidsdag) versus overmacht aan werkgeverszijde (geen loon).

Oefening 7 — Staking en ontslag

Opgave. Is staken een dringende reden voor ontslag? Wat zijn de gevolgen als de werkgever toch ontslaat?

Toon oplossing

Staken is een recht. Dat wordt niet beschouwd als een dringende reden voor ontslag. De werkgever moet het loon voor de opzeggingstermijn betalen (en de werknemer kan mogelijk ook een extra vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag aan de rechter vragen).

Toegepaste regel: Stakingsrecht; ontslag wegens staking is geen dringende reden → verbrekingsvergoeding/opzegvergoeding + eventueel cao nr. 109 (kennelijk onredelijk ontslag).

Oefening 8 — Opzeggingstermijn en jaarlijkse vakantie

Opgave.

  1. Wat gebeurt er met de opzeggingstermijn tijdens de jaarlijkse vakantie:
    1. wanneer de opzegging gegeven werd vóór de vakantie?
    2. wanneer de opzegging gegeven werd net vóór/bij de aanvang van de vakantie?
  2. Wat als de opzegging tijdens de vakantie gegeven wordt?
Toon oplossing
    1. De opzeggingstermijn begint te lopen maar wordt geschorst tijdens de jaarlijkse vakantie.
    2. De opzeggingstermijn is onmiddellijk geschorst en begint pas te lopen na de jaarlijkse vakantie.
  1. De opzeggingstermijn begint te lopen tijdens de jaarlijkse vakantie.
Toegepaste regel: Schorsing van de opzeggingstermijn tijdens schorsingsgronden (o.a. jaarlijkse vakantie) — Arbeidsovereenkomstenwet.

Oefening 9 — Te laat door plotse weersverandering (art. 27)

Opgave. Op dag één veroorzaakt een plotse weersverandering dat de werknemer veel te laat op het werk aankomt. Wat met zijn loon? En wat met de dag(en) nadien als hij weet dat het slecht weer is?

Toon oplossing

Dag één: De impact van de plotse wijziging van het weer was bij vertrek nog niet gekend. In dat geval kan men art. 27 Arbeidsovereenkomstenwet (de onvolledige arbeidsdag) toepassen: de werknemer krijgt voor de volledige dag zijn loon, ook al heeft hij een gedeelte niet gepresteerd. Hij moet niet nablijven of de verloren tijd recupereren.

De dag nadien: Het onvoorzienbare karakter van de situatie is verdwenen; de werknemer kan zich nu wél voorbereiden op een moeilijk woon-werktraject. Doet hij dit niet, dan kan hij zich niet langer beroepen op de gunst van art. 27. Hij is nu door eigen toedoen te laat en de werkgever hoeft de niet-gepresteerde tijd niet te verlonen.

Toegepaste regel: Art. 27 Arbeidsovereenkomstenwet — gewaarborgd loon bij onvolledige arbeidsdag enkel bij een onvoorzienbare oorzaak onafhankelijk van de wil van de werknemer.

Oefening 10 — Klein verlet bij overlijden (casus met meerdere personen)

Opgave. Verschillende werknemers (Bert, Anja, Filip, Sofie, Ilse, Vicky, Shauni) willen klein verlet opnemen bij het overlijden van een (schoon)vader/stiefvader, in verschillende familiale situaties. Op welke regeling kunnen zij zich beroepen?

Toon oplossing

Voorafgaande opmerking: De eerste vraag is in welke sector de werkgevers actief zijn. Kort verzuim is een typisch 'sectoraal' geregeld onderwerp; men moet dus eerst nagaan of er geen cao is afgesloten in de respectieve paritaire comités die de gevallen van kort verzuim uitbreidt, dan wel de modaliteiten (meer dagen of een ruimere opnametermijn). Mogelijk is er in de onderneming zelf een gunstigere regeling. Zolang we hier geen zicht op hebben, bepalen we enkel de minimumrechten zoals verwoord in het KB van 28 augustus 1963:

  • Bert, Anja en Filip kunnen zich beroepen op punt 4: overlijden van de vader van de werknemer → drie dagen afwezigheid kort verzuim (op te nemen tussen overlijden en begrafenis).
  • Sofie kan zich op dezelfde regel beroepen: overlijden van stiefvader van de werknemer → idem.
  • Ilse kan zich ook op dezelfde regel beroepen: overlijden van schoonvader van de werknemer → idem.
  • Vicky: in de reglementering is een gelijkstelling van wettelijk samenwonende partners met gehuwden voorzien. Hoewel Roger niet letterlijk haar schoonvader is (die term is nog steeds gekoppeld aan het huwelijk), wordt hij door de wetgeving kort verzuim toch als zodanig beschouwd.
  • Shauni is feitelijk samenwonend met Rogers zoon en kan zich sinds enkele wijzigingen in de wetgeving m.b.t. klein verlet in 2021 ook op die gelijkstelling beroepen.
Toegepaste regel: KB van 28 augustus 1963 (klein verlet / kort verzuim); sectorale cao's kunnen uitbreiden; gelijkstelling van wettelijk en (sinds 2021) feitelijk samenwonenden met gehuwden.

Thema 4 — Gewaarborgd loon: berekeningen (boek p. 108)

Algemeen vertrekpunt (geldt voor alle oefeningen hieronder): wanneer in de opgave niet vermeld wordt wanneer de arbeider in dienst is getreden, gaan we ervan uit dat hij al langer dan een maand in dienst is. We gaan er ook van uit dat de werknemers in een vijfdagenweek van maandag tot vrijdag werken.
Schema gewaarborgd loon ARBEIDER (≥ 1 maand dienst):
  • dag 1 t.e.m. 7 → 100 % van het (dag)loon (werkgever);
  • dag 8 t.e.m. 14 → 85,88 % van het loon (werkgever);
  • dag 15 t.e.m. 30 → 25,88 % van het loon (werkgever) + het ziekenfonds vult aan (60 % van het loon/loongrens, omgerekend naar zesdagenweek).
Schema gewaarborgd loon BEDIENDE: 100 % gedurende de eerste maand arbeidsongeschiktheid.

Oefening 1 — Arbeider, ziek 6/1 tot 16/1

Opgave. Bereken het gewaarborgd loon voor een arbeider die ziek is van maandag 6/1 tot en met donderdag 16/1.

Toon oplossing

De werkgever zal betalen:

  • van de 1ste tot de 7de dag (ma 6/1 t.e.m. zo 12/1): 5 × 100 % van het (dag)loon (de werkdagen ma 6/1 t.e.m. vr 10/1);
  • van de 8ste tot de 11de dag (ma 13/1 t.e.m. do 16/1): 4 × 85,88 % van het loon.

Het ziekenfonds moet niets betalen (men zit nog binnen de eerste 14 dagen).

Toegepaste regel: Gewaarborgd loon arbeider — Arbeidsovereenkomstenwet (week 1 = 100 %, week 2 = 85,88 %).

Oefening 2 — Arbeider, onvolledige arbeidsdag op 6/1 + ziek t.e.m. 16/1

Opgave. Bereken het gewaarborgd loon: maandag 6/1 is er een onvolledige arbeidsdag; daarna is de arbeider ziek t.e.m. donderdag 16/1.

Toon oplossing

De werkgever zal betalen:

  • maandag 6/1: 100 % van het loon (onvolledige arbeidsdag — art. 27);
  • van dinsdag 7/1 tot maandag 13/1: 5 × 100 % van het loon (= dag 1 t.e.m. 7 gewaarborgd loon: di 7/1, wo 8/1, do 9/1, vr 10/1, ma 13/1);
  • van dinsdag 14/1 tot donderdag 16/1: 3 × 85,88 % van het loon (dag 8 t.e.m. 14).

Het ziekenfonds betaalt niets.

Toegepaste regel: Art. 27 (onvolledige arbeidsdag, 100 %) + gewaarborgd loon arbeider (week 1 = 100 %, week 2 = 85,88 %).

Oefening 3 — Arbeider nog geen 30 dagen in dienst

Opgave. Bereken het gewaarborgd loon voor een arbeider die nog geen 30 dagen in dienst is en ziek wordt vanaf maandag 13/1.

Toon oplossing

De werkgever moet niets betalen, want de werknemer is nog geen 30 dagen in dienst van de werkgever. Het ziekenfonds zal betalen (in de veronderstelling dat de werknemer rechten heeft geopend in de ziekte- en invaliditeitsverzekering → zie hoofdstuk ZIV in onderdeel sociale zekerheid):

  • van maandag 13/1 tot zondag 19/1: 60 % van loon of loongrens (zesdagse werkweek).
Toegepaste regel: Gewaarborgd loon vereist minstens 1 maand anciënniteit; anders komt het ziekenfonds (ZIV) tussen aan 60 %.

Oefening 4 — Arbeider in dienst vanaf 7/1, ziek begin februari

Opgave. De arbeider is in dienst vanaf dinsdag 7/1. Hij wordt ziek; bereken het gewaarborgd loon rond de overgang van "geen maand dienst" naar "wel een maand dienst".

Toon oplossing

De arbeider is in dienst vanaf dinsdag 7/1, dus één maand dienst op donderdag 6/2. De werkgever betaalt nog geen gewaarborgd loon op de dagen waarop de arbeider nog geen maand in dienst is.

  • De werkgever zal betalen: vanaf vrijdag 7/2 tot dinsdag 11/2: 1 × 100 % van het loon.
  • Het ziekenfonds zal (wellicht — zie opmerking oef. 3) betalen op de dagen voordien: van woensdag 5/2 tot donderdag 6/2: 60 % van het loon of de loongrens.
Toegepaste regel: Anciënniteitsvoorwaarde van 1 maand voor gewaarborgd loon; ZIV-tussenkomst (60 %) zolang die maand niet bereikt is.

Oefening 5 — Arbeider met dagloon 110 EUR, ziek 20/1 tot 30/1

Opgave. Bereken het gewaarborgd loon voor een arbeider met een dagloon van 110,00 EUR, ziek van maandag 20/1 tot donderdag 30/1.

Toon oplossing

De werkgever zal betalen:

  • van de 1ste tot de 7de dag (ma 20/1 t.e.m. zo 26/1): 5 × 110,00 EUR;
  • van de 8ste tot de 14de dag (ma 27/1 t.e.m. do 30/1): 4 × 85,88 % × 110,00 EUR.

Het ziekenfonds zal niets betalen (nog binnen de eerste 14 dagen).

Berekening:

  • Week 1: 5 × 110,00 = 550,00 EUR
  • Week 2: 4 × (0,8588 × 110,00) = 4 × 94,468 = 377,87 EUR
Toegepaste regel: Gewaarborgd loon arbeider (week 1 = 100 %, week 2 = 85,88 %).

Oefening 6 — Arbeider met dagloon 180 EUR, ziek 20/1 tot 9/2 (incl. ziekenfonds)

Opgave. Bereken het gewaarborgd loon (werkgever én ziekenfonds) voor een arbeider met dagloon 180 EUR, ziek van maandag 20/1 tot zondag 9/2.

Toon oplossing

De werkgever zal betalen:

  • van de 1ste tot de 7de dag (ma 20/1 t.e.m. zo 26/1): 5 × 180 EUR;
  • van de 8ste tot de 14de dag (ma 27/1 t.e.m. zo 2/2): 5 × 85,88 % × 180 EUR;
  • van de 15de tot de 30ste dag (ma 3/2 t.e.m. zo 9/2): 5 × 25,88 % × 180 EUR.

Het ziekenfonds zal betalen:

  • maandag 3/2 tot zondag 9/2: 6 × 60 % × 150 EUR (het dagloon van 180 euro wordt omgerekend naar een zesdagenweek: 180 × 5/6 = 150).

Toelichting loongrens: De ZIV-loongrens (in februari 2025 — we plaatsen ons op de datum van de oefening) was 183,13 euro in een zesdagenweek. Omgerekend naar een vijfdagenweek: 183,13 × 6/5 = 219,60 euro. Het dagloon (180 EUR) van deze werknemer blijft dus ruim onder de ZIV-loongrens, dus er is geen begrenzing van de berekening van de uitkering.

Berekeningen:

  • Werkgever week 1: 5 × 180 = 900 EUR
  • Werkgever week 2: 5 × (0,8588 × 180) = 5 × 154,584 = 772,92 EUR
  • Werkgever dag 15-30: 5 × (0,2588 × 180) = 5 × 46,584 = 232,92 EUR
  • Ziekenfonds: 6 × (0,60 × 150) = 6 × 90 = 540 EUR
Toegepaste regel: Gewaarborgd loon arbeider over 3 periodes (100 % / 85,88 % / 25,88 %) + ZIV-uitkering 60 % (omrekening dagloon naar zesdagenweek, vergelijking met ZIV-loongrens).

Oefening 7 — Arbeider met dagloon 180 EUR, ziek vanaf donderdag 2/1

Opgave. Bereken het gewaarborgd loon (werkgever én ziekenfonds) voor een arbeider met dagloon 180 EUR, ziek vanaf donderdag 2/1 (langdurig, t.e.m. de 30ste dag en verder).

Toon oplossing

De werkgever zal betalen:

  • van de 1ste tot de 7de dag (do 2/1 t.e.m. wo 8/1): 5 × 180 EUR (de 5 werkdagen in die periode);
  • van de 8ste tot de 14de dag (do 9/1 t.e.m. wo 15/1): 5 × 85,88 % × 180 EUR;
  • van de 15de tot de 30ste dag (do 16/1 t.e.m. vr 31/1): 12 × 25,88 % × 180 EUR.

Het ziekenfonds zal betalen:

  • donderdag 16/1 tot woensdag 12/2: 24 × 60 % × 150 EUR (dagloon 180 omgerekend naar zesdagenweek = 150).

Berekeningen:

  • Werkgever week 1: 5 × 180 = 900 EUR
  • Werkgever week 2: 5 × (0,8588 × 180) = 772,92 EUR
  • Werkgever dag 15-30: 12 × (0,2588 × 180) = 12 × 46,584 = 559,01 EUR
  • Ziekenfonds: 24 × (0,60 × 150) = 24 × 90 = 2 160 EUR
Toegepaste regel: Gewaarborgd loon arbeider over 3 periodes + ZIV-uitkering 60 % (omrekening naar zesdagenweek).

Thema 5 — Arbeidsreglementering, loonbescherming en arbeidsduur (boek p. 253-257)

Oefening 1 — Opmaak en bekendmaking van het arbeidsreglement

Opgave.

  1. Door wie wordt het arbeidsreglement opgemaakt?
  2. Hoe wordt het arbeidsreglement bekendgemaakt aan de werknemers?
Toon oplossing
  1. Door de ondernemingsraad wanneer die bestaat in de onderneming; anders door de werkgever, die het ontwerp door aanplakking ter kennis brengt van de werknemers, die vervolgens de kans krijgen om opmerkingen te maken over dat ontwerp.
  2. Op een zichtbare en toegankelijke plaats binnen de onderneming moet een bericht worden aangeplakt met opgave van de plaats waar het arbeidsreglement kan worden geraadpleegd. Elke werknemer moet er ook een afschrift van ontvangen.
Toegepaste regel: Arbeidsreglementenwet van 8 april 1965 (opmaak via ondernemingsraad/werkgever; bekendmaking en afschrift).

Oefening 2 — Bedragen die niet als loon worden beschouwd

Opgave. Welke bedragen vallen niet onder het loonbegrip (geen RSZ-afhouding, niet beschermd door de Loonbeschermingswet)?

Toon oplossing
  • het vakantiegeld;
  • vergoedingen verschuldigd als aanvullingen door een arbeidsongeval of een beroepsziekte;
  • vergoedingen als aanvulling van de voordelen toegekend door de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Er moeten geen RSZ-afhoudingen worden toegepast (vakantiegeld is hierop echter een uitzondering!). Deze bedragen vallen niet langer onder de bescherming van de Loonbeschermingswet (bv. wat betreft de strikte regeling over inhoudingen op loon).

Toegepaste regel: Loonbegrip in de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 (uitsluitingen).

Oefening 3 — Beperking van loon in natura

Opgave. Waarom is loon in natura beperkt?

Toon oplossing

Door een overdreven loon in natura zou de werknemer te veel aan de werkgever gebonden zijn. De werknemer moet in de gelegenheid zijn het loon te besteden aan wat hij wil. (Verwijzing naar de sociale wantoestanden in de 19de eeuw — bv. truckstelsel.)

Toegepaste regel: Loonbeschermingswet — beperking van loon in natura; loon moet hoofdzakelijk in geld worden uitbetaald.

Oefening 4 — Toegelaten inhoudingen op het loon

Opgave. Welke inhoudingen op het loon zijn toegelaten?

Toon oplossing
  • RSZ-inhoudingen, bedrijfsvoorheffingen en andere inhoudingen op grond van particuliere of collectieve overeenkomsten over bijkomende voordelen inzake sociale zekerheid;
  • geldboeten opgelegd door het arbeidsreglement;
  • vergoedingen en schadeloosstellingen in de gevallen voorzien door de wet op de arbeidsovereenkomsten;
  • voorschotten in geld verstrekt door de werkgever;
  • de gestelde borg voor het nakomen van de verplichtingen van de werknemer;
  • bij toepassing van uurroosters met glijdende uren: in bepaalde omstandigheden het te veel betaald loon.
Toegepaste regel: Loonbeschermingswet — limitatieve lijst van toegelaten inhoudingen op het loon.

Oefening 5 — Overdracht vs. beslag op loon

Opgave. Wat is het verschil tussen overdracht en beslag op loon?

Toon oplossing
  • Overdracht: de werknemer staat vrijwillig een deel van zijn loon af aan derden.
  • Beslag: een gedwongen afstand ten voordele van een derde, opgelegd door de rechtbank.
Toegepaste regel: Loonbeschermingswet — regeling van overdracht en beslag op loon (met beschermde schijven).

Oefening 6 — Berekening beslagbaar bedrag (loon 1 700 EUR, geen kinderen ten laste)

Opgave. Bereken hoeveel een werknemer met een nettoloon van 1 700,00 EUR overhoudt na beslag (geen kinderen ten laste).

Toon oplossing

Toepassing van de beslagschijven (het effectieve loon stopt op 1 700):

SchijfPercentageBeslagbaar bedrag
tot 1 388,000 %--
van 1 388,01 tot 1 492,0020 %20,80
van 1 492,01 tot 1 646,0030 %46,20
van 1 646,01 tot 1 70040 %21,60
boven 1 800,00100 %nvt
totaal88,60

De werknemer houdt over: 1 700,00 EUR − 88,60 EUR = 1 611,40 EUR netto.

Detailberekening:

  • Schijf 2: (1 492,00 − 1 388,00) × 20 % = 104 × 0,20 = 20,80
  • Schijf 3: (1 646,00 − 1 492,00) × 30 % = 154 × 0,30 = 46,20
  • Schijf 4: (1 700,00 − 1 646,00) × 40 % = 54 × 0,40 = 21,60
  • Totaal beslagbaar = 88,60 EUR
Toegepaste regel: Gerechtelijk Wetboek — beslag/overdracht van loon volgens schijven (jaarlijks geïndexeerde grensbedragen).

Oefening 7 — Berekening beslagbaar bedrag (loon 2 000 EUR, 3 kinderen ten laste)

Opgave. Bereken hoeveel een werknemer met een nettoloon van 2 000,00 EUR overhoudt na beslag, met 3 kinderen ten laste.

Toon oplossing

Eerst de beslagschijven toepassen:

SchijfPercentageBeslagbaar bedrag
tot 1 388,000 %--
van 1 388,01 tot 1 492,0020 %20,80
van 1 492,01 tot 1 646,0030 %46,20
van 1 646,01 tot 1 800,0040 %61,60
boven 1 800,01100 %199,99
totaal328,59

Vermindering wegens kinderen ten laste: 3 kinderen × 86 EUR = 258 EUR.

Het deel van het nettoloon vatbaar voor beslag: 328,59 EUR − 258 EUR = 70,59 EUR.

De werknemer houdt over: 2 000,00 EUR − 70,59 EUR = 1 929,41 EUR netto.

Detailberekening van de schijven:

  • Schijf 2: 104 × 0,20 = 20,80
  • Schijf 3: 154 × 0,30 = 46,20
  • Schijf 4: (1 800,00 − 1 646,00) × 40 % = 154 × 0,40 = 61,60
  • Schijf 5: (2 000,00 − 1 800,00) × 100 % = 200 × 1,00 = 199,99 (afgerond zoals in de oplossing)
  • Totaal = 328,59 EUR, daarna − 258 EUR (kinderen) = 70,59 EUR beslagbaar.
Toegepaste regel: Gerechtelijk Wetboek — beslag op loon met schijven + verhoging van de niet voor beslag vatbare bedragen per kind ten laste (86 EUR/kind).

Oefening 8 — Beslag boven de grens (alimentatie)

Opgave. In welk geval kan er beslag gelegd worden zonder de gewone grenzen/zonder beperking?

Toon oplossing

Als de werknemer door de rechtbank veroordeeld werd tot het betalen van alimentatiegeld. Dat kan verschuldigd zijn aan de kinderen, aan de ouders of aan de vroegere echtgenoot na echtscheiding (voor onderhoudsgeld geldt geen beslagbeperking).

Toegepaste regel: Gerechtelijk Wetboek — onbeperkte beslagbaarheid van loon voor onderhoudsschulden (alimentatie).

Oefening 9 — Flexibele arbeidsweek en glijdende uren

Opgave.

  1. Wat is een flexibele arbeidsweek?
  2. Wat zijn de dag- en weekgrenzen bij flexibiliteit?
  3. Wat is het verschil tussen glijdende uren en kleine flexibiliteit?
Toon oplossing
  1. Een flexibele arbeidsweek is een arbeidsweek waarin een overschrijding van de grenzen van de normale arbeidsduur mogelijk is, met inachtneming van bepaalde dag- of weekgrenzen. Daardoor kan in een onderneming de arbeidsduur worden aangepast aan het volume van het werk. De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur wordt per periode van 12 maanden beschouwd.
  2. Bij overschrijding van de normale grens van de dagelijkse arbeid mag de daggrens maximum met 2 uur per dag verhoogd of verlaagd worden, zonder 9 uur per dag te mogen overschrijden. De vastgestelde weekgrens mag met maximum 5 uur per week verhoogd of verlaagd worden, zonder 45 uur per week te overschrijden.
  3. In een uurregeling met glijdende uren krijgt de werknemer de ruimte om de start en het einde van de werkdag zelf te bepalen, binnen de grenzen die in het arbeidsreglement moeten beschreven staan. Bij kleine flexibiliteit is die vrijheid er niet; dat systeem dient eerder om piek- en dalperiodes vlot te organiseren. De vragende partij is dan eerder de werkgever.
Toegepaste regel: Arbeidswet van 16 maart 1971 — kleine flexibiliteit (art. 20bis) en glijdende uurroosters (Wet Werkbaar en Wendbaar Werk / "Wet Peeters").

Oefening 10 — Loon bij overuren met inhaalrust (okt/nov/dec)

Opgave. Hoe wordt het loon berekend wanneer overuren in oktober worden gepresteerd en de inhaalrust in november/december wordt opgenomen?

Toon oplossing

In oktober ontvangt hij het normale loon van die maand, vermeerderd met het overloon voor de gepresteerde overuren. In november en december ontvangt hij het loon voor de werkelijk gepresteerde arbeid, vermeerderd met het gewone loon dat overeenstemt met de uren waarvoor hij inhaalrust heeft genomen. Dus in november en december ontvangt hij ook zijn gewoon loon zonder vermindering voor de afwezigheid tijdens de dagen inhaalrust.

Als de overuren gepresteerd werden omwille van een buitengewone vermeerdering van werk of door een onvoorziene noodzakelijkheid, kan de werknemer kiezen voor de betaling van overuren in plaats van het nemen van inhaalrust. In dat geval ontvangt hij in oktober zowel zijn loon tegen 100 % als het overloon.

Toegepaste regel: Arbeidswet 16 maart 1971 — overloon en inhaalrust; keuzemogelijkheid betaling i.p.v. inhaalrust bij buitengewone vermeerdering van werk of onvoorziene noodzakelijkheid.

Oefening 11 — Interne overurengrens per trimester

Opgave. Een werknemer presteert in de eerste acht weken van een trimester 390 uur. De normale grens is 38 uur/week. Is de interne overurengrens overschreden?

Toon oplossing

Gedurende het trimester mag nooit méér gepresteerd worden dan 143 uur boven de normale grens. Er moet dan onmiddellijk inhaalrust worden toegekend. In deze oefening is die grens nog niet bereikt:

  • 38 u × 8 weken = 304 uur (normaal aantal uren over 8 weken);
  • er werden in de eerste acht weken 390 uur gewerkt;
  • dat zijn dus al 390 − 304 = 86 uren meer dan het maximum (normale grens), maar het totaal aan overuren heeft de grens van 143 nog niet bereikt.

Dit is een versoepeling ten gevolge van de Wet Peeters. Voor 2017 bedroeg de zgn. interne overurengrens slechts 78 uur.

Toegepaste regel: Arbeidswet 16 maart 1971 / Wet Werkbaar en Wendbaar Werk ("Wet Peeters") — interne overurengrens van 143 uur per trimester.

Oefening 12 — Inhaalrust bij zondagsarbeid

Opgave.

  1. Wanneer moet inhaalrust worden toegekend bij zondagsarbeid?
  2. Hoeveel bedraagt de rusttijd?
Toon oplossing
  1. Inhaalrust moet worden toegekend aan werknemers die 's zondags tewerkgesteld worden, en dat in de loop van de 6 dagen die volgen op die bewuste zondag.
  2. De rusttijd bedraagt:
    • een volle dag als meer dan 4 uur werd gewerkt;
    • ten minste een halve dag wanneer niet langer dan 4 uur werd gewerkt. Hij moet toegekend worden vóór of na 13 uur en er mag dan niet meer dan 5 uur gewerkt worden.
Toegepaste regel: Arbeidswet 16 maart 1971 — verbod op zondagsarbeid met inhaalrust binnen 6 dagen.

Oefening 13 — Tewerkstelling van leerplichtige jongeren

Opgave. Mogen leerplichtige minderjarigen tewerkgesteld worden? In welke gevallen?

Toon oplossing

Het is verboden minderjarigen die onderworpen zijn aan de voltijdse leerplicht arbeid te doen verrichten of enig ander werk buiten het kader van hun opvoeding. Leerplichtige jongeren kunnen worden tewerkgesteld in volgende gevallen:

  1. Als jobstudent met een schriftelijk studentencontract op voorwaarde dat ze ouder zijn dan 15 jaar en voltijds leren (of bij alternerend werken en leren bij een andere werkgever dan diegene waar het luik 'werken' wordt georganiseerd);
  2. gedurende de voltijdse leerplicht voor werk dat deel uitmaakt van hun vorming en voor sommige activiteiten in de spektakelsector.
Toegepaste regel: Arbeidswet 16 maart 1971 — verbod op kinderarbeid en uitzonderingen (jobstudenten, alternerend leren, spektakelsector).

Oefening 14 — Voltijdse AO voor een leerplichtige in alternerend leren

Opgave. Kan een leerplichtige jongere in een systeem van werken en leren een voltijdse arbeidsovereenkomst afsluiten?

Toon oplossing

Hij kan geen voltijdse arbeidsovereenkomst afsluiten, want door de optelling van de tijd besteed aan vorming en de arbeidstijd mag de normale gemiddelde wekelijkse arbeidsduur niet worden overschreden. Hij kan wel een deeltijdse arbeidsovereenkomst sluiten, aangevuld met de wettelijk verplichte vorming.

Toegepaste regel: Arbeidswet 16 maart 1971 — max. wekelijkse arbeidsduur (arbeid + vorming) voor leerplichtige jongeren in alternerend leren → enkel deeltijdse AO.

Oefening 15 — Bijzondere bescherming van minderjarigen

Opgave. Welke bijzondere beschermingsmaatregelen gelden voor (jonge) minderjarigen op het werk?

Toon oplossing
  • Verbod om bepaalde arbeid te verrichten (gevaarlijke en ongezonde);
  • beperking van de arbeidsduur tot 8 uur per dag;
  • verbod van arbeid op zon- en feestdagen en verbod van overwerk;
  • verplichte rusttijden; niet langer dan 4 1/2 uur ononderbroken arbeid verrichten;
  • verbod van nachtarbeid, met uitzondering voor bepaalde bedrijfstakken vanaf 16 jaar;
  • verplichte inhaalrust bij werk verricht op zon- of feestdagen (waar het toegelaten was).
Toegepaste regel: Arbeidswet 16 maart 1971 — bijzondere bescherming van minderjarige werknemers (arbeidsduur, nachtarbeid, gevaarlijke arbeid, rusttijden).

Oefening 20 — Functies die aan een geslacht voorbehouden mogen worden

Opgave. Mag een werkgever een functie voorbehouden aan één geslacht?

Toon oplossing

In principe nee, behalve in specifieke gevallen waar het geslacht een wezenlijke beroepsvereiste is. Voorbeelden waar het wel mag: vrouwelijke mannequin, mannelijke mannequin, bariton (zanger).

Toegepaste regel: Antidiscriminatie-/genderwetgeving — uitzondering "wezenlijke en bepalende beroepsvereiste".

Oefening 21 — Bewijslast bij discriminatie

Opgave.

  1. Wie is verweerder?
  2. Op wie rust de (omgekeerde) bewijslast?
Toon oplossing
  1. De werkgever (verweerder).
  2. De werkgever.
Toegepaste regel: Antidiscriminatiewet — omkering van de bewijslast: zodra het slachtoffer feiten aanvoert die discriminatie doen vermoeden, moet de verweerder (werkgever) bewijzen dat er geen discriminatie was.

Oefening 22 — Omkering van de bewijslast (toelichting)

Opgave. Welke partij(en) moet(en) bewijzen en waarom (antwoordopties A en B)?

Toon oplossing

A en B. Omdat het algemeen principe dat degene die iets eist moet bewijzen dat hij recht heeft op wat hij eist, wordt 'omgedraaid' (omkering van de bewijslast ten gunste van het vermeende slachtoffer van discriminatie).

Toegepaste regel: Antidiscriminatiewet — omkering van de bewijslast.

Oefening 23 — Leeftijdsgrens en discriminatie

Opgave. Mag men een leeftijdsgrens hanteren bij aanwerving/uitoefening van een functie?

Toon oplossing

In principe niet, omdat dit kan beschouwd worden als een vorm van discriminatie op basis van leeftijd.

Toegepaste regel: Antidiscriminatiewet — verbod op leeftijdsdiscriminatie (tenzij objectief en redelijk gerechtvaardigd).

Oefening 24 — Leeftijdsgrens voor scheidsrechters

Opgave. Een sportbond legt een maximumleeftijd (bv. 45 jaar) op aan scheidsrechters. Mag dat?

Toon oplossing

Dat is ook een vorm van discriminatie op basis van leeftijd. Het zou beter zijn scheidsrechters enkel nog toe te laten om te fluiten als ze daartoe fysiek geschikt bevonden zijn en voldoende vakkennis hebben. De leeftijdsgrens verbergt hier in feite het vermoeden dat men na de leeftijd van 45 niet meer voldoende fit is (en dat vermoeden mag de toets niet doorstaan; men moet de werkelijke geschiktheid beoordelen).

Toegepaste regel: Antidiscriminatiewet — leeftijdsdiscriminatie; een leeftijdsgrens als verkapt criterium voor (fysieke) geschiktheid is niet toegelaten.
Bronnenduiding. De oefeningen van 18/03/2026 herhalen oef. 1-7 (p. 80-81) en voegen oef. 8 t.e.m. 14 toe, plus de set p. 86 (Thema 2). 25/03/2026 beslaat Thema 3 (schorsing/overmacht/klein verlet, p. 102-103) en Thema 4 (gewaarborgd loon, p. 108). 06/05/2026 beslaat Thema 5 (arbeidsreglementering/loonbescherming/arbeidsduur/discriminatie, p. 253-257). De nummering in de bron springt van 15 naar 20 (oef. 16-19 ontbreken in de oplossingen-PDF).